Wie de handschoen past

Siem Nijssen duikt in de hersenpan van keepers

DOELTREFFENDE DWANGSTELLINGEN

De voetballerij is doorspekt met voorkauwers en feedbackfetisjisten: babbelzieke oefenmeesters als Simeone en Conte. Overactief gesticulerend ratelen zij sneller dan radioverslaggevers. Met de tong op de schoenen pogend situaties te beïnvloeden. Voetballers Pavloveriaans conditioneren getuigt van korte termijn denken. Door instant succes, de methodiek van het directe leren, lijkt iedereen al gauw spekkoper. In feite komt er zelden een eind aan denkluiheid veroorzakend voorkauwen. Siem Nijssen laat bij Fortuna Sittard jeugdkeepers zelfontdekkend leren zonder een constante verbale zondvloed. Met dwangstellingen als Ark van Noah hanteert hij de leerwijze van het indirecte leren. Waarbij talenten met een eenduidig voorgespiegeld einddoel aan het denken worden gezet. Zodat ze niet verzuipen in een draaikolk aan adviezen en opdrachten. Wat op de lange duur, je moet dus meer geduld hebben, leerresultaten oplevert die beklijven.

“Het mooiste is het als je een keeper iets aanleert, en die daarbij het gevoel heeft dat hij het helemaal zelf voor elkaar heeft gekregen”

Wat je niet vertelt
Iedereen kent dwangstellingen. Denk aan flitspalen, verkeerslichten, het lampje van de reservetank. Dwangstellingen corrigeren woordeloos ongewenst gedrag. Toch hebben coaches de neiging om dwangstellingen voor te zijn middels lange instructies en veel tussentijdse feed back. Instructies zijn goed om het einddoel van oefeningen aan te geven. Gedoseerde feed back geeft een goede duw in de juiste richting. Maar dwangstellingen, ook al klinkt het negatief als moeten, zijn veel krachtigere motivatieprikkels, omdat leerlingen zodoende het gevoel krijgen dat ze leerrendementen volstrekt op eigen kracht hebben bereikt. Het voordeel hiervan is dat het geleerde vervolgens onbewust wordt toegepast, aangezien de succeservaring voorgoed vastgelegd wordt in de hersenen. Siem Nijssen mikt met zijn keepers zoveel mogelijk op die zogenoemde autonome succesbeleving : “Het mooiste is het als je een keeper of voetballer iets aanleert, en die daarbij het gevoel heeft dat hij het helemaal zelf voor elkaar heeft gekregen. Dat lukt niet altijd, maar het is wel mijn streven. Trainingsomstandigheden zo inrichten dat er oplossingsgericht gedacht wordt, is de sleutel tot het creëren van intrinsieke motivatie en een autonome succesbeleving. Het gaat er dan om wat je als coach niet vertelt. Als je toch feed back gebruikt als leermiddel, is dat effectiever na vijf of tien oefeningen, in plaats van na elke oefening. Je wordt zo tegelijkertijd als trainer creatiever en doelgerichter. Wat goed is om zelf ook door te groeien.” In plaats van door te drammen over hoe een keeper moet afzetten, na een heldere uitleg en goede voorbeelden, werkt een elastiek als dwangstelling, waar overheen gedoken moet worden, in het leerproces effectiever dan frequent commentaar of advies geven. “Als trainer bepaal je stapsgewijs de hoogte van dat elastiek. Als de afzet voor een zweefduik het einddoel is, maakt een tik tegen het elastiek duidelijk of de keeper wel of niet voldoende afzet, wel of niet klaar is om door te gaan naar een hoger niveau met een hoger gespannen elastiek. Doordat de afzet non verbaal feed back krijgt, gaat de keeper bij zichzelf te rade, zonder dat hij afgeleid wordt door waardeoordelen van de trainer over zijn presteren. Teveel goedzo’s werken net zo averechts en te bemoederend als teveel afkeuringen. Als succes op die voorgekauwde wijze wordt gehaald, door er continu bovenop te zitten, voelt een resultaat niet aan als een prestatie van de keeper zelf, eerder als een gevolg van het braaf opvolgen van opdrachten.”

“Het evenwicht tussen prikkelen en zelfvertrouwen geven, is een flinterdun fenomeen”

FOTO: MAARTEN OMVLEE

Tactiek en mindset
Bij jonge kinderen gebruikt de in mental sports coaching gespecialiseerde ALO’er uiteraard meer woorden: “Er zijn trainers die denken dat ze constant met feed back de weg naar het eindpunt moeten begeleiden. Bij jonge kinderen is dat inderdaad uiterst essentieel. Maar naarmate kinderen ouder worden zijn ze alsmaar beter in staat om de weg naar dat einddoel zelf te ontdekken.” Voor de duidelijkheid is het wellicht handig om nog een dwangstelling voor het voetlicht te brengen. “Als een keeper tijdens het duiken hinder ondervindt van een ingetrokken been, dan kan je op de plek waar hij zijn been intrekt een pion neerzetten. Doordat de pion wordt aangetikt, merkt de keeper dat hij het beoogde bewegingspatroon nog niet optimaal uitvoert.” Dwangstellingen kunnen ook regels zijn. Het is dan de kunst om daar slim mee om te gaan: “Vaak worden tactiek en mindset vergeten. Oefeningen zitten vaak vol eentonige herhalingen. Daarmee bewijs je keepers geen dienst, omdat in wedstrijden situaties immers voortdurend veranderen. Om in te spelen op timing en positionering gebruik ik een keepersoefening met drie vakken: twee naast het doel en één ervoor. Afwisselend komen er ballen in die vakken die ze moeten pakken. Aanvankelijk had ik de regel dat de bal in het vak voor het doel voor de stuit gepakt moest worden om punten te scoren. Dat leverde keepers op die gauw inhielden, omdat ballen in hun ogen onhaalbaar leken. Door de regel aan te passen, te zeggen dat na de stuit pakken ook punten opleverde, werden keepers alerter en scherper. Ze gingen oplossingsgericht denken, de mindset veranderde, waardoor de aangepaste regel als dwangstelling ineens nut had. Dat wil niet zeggen dat je het keepers altijd makkelijker moet maken. Het is tevens zinvol om oefeningen moeilijker te maken. Om ervoor te zorgen dat ze juist hard gaan nadenken over waarom ze het gewenste niveau niet halen. Het evenwicht tussen prikkelen en zelfvertrouwen geven is een flinterdun fenomeen. Daar ben je als trainer voor je pupil telkens naar op zoek.”

“Als ik keepers wil laten zweven, ligt bij mij de focus op de landing”

Duiken op bed
Dat keepen in z’n totaliteit eveneens een onmiskenbare dwangstelling is voor de Swalmenaar, om niet slechts bij zijn pupillen onder de hersenpan te duiken, wordt zichtbaar als Siem Nijssen over Jan van Beveren praat. De oud SVC 2000-jeugdkeeper die als vierjarige ukkepuk op een grasveld aan de Swalmense Molenweg, met Van Beveren op het netvlies, naar schoten van een nog jonge Antonio Stankov duikt, past de atletische zweefduiktechniek van Lange Jan toe. Eerst als vertrekpunt voor zichzelf en tegenwoordig als basis voor oefeningen waarin het gaat om afzetten en duiken: “Als ik keepers wil laten zweven, ligt bij mijn oefeningen de focus niet op de afzet maar op de landing. Wanneer je de focus legt op de afzet ga je voorbij aan datgene wat wedstrijdbeelden van Jan van Beveren illustreren: doordat hij grandioos goed kon landen, met of zonder bal, durfde hij voluit af te zetten. Het landen wordt daarom bij het oefenen van een zweefduik het einddoel. Wat de oud PSV-keeper zichzelf aanleerde, wordt in bewegingswetenschappelijke publicaties omschreven als: indien het lichaam niet kan afremmen, gaat het nooit de kwaliteit ontwikkelen om een beweging op te starten en te versnellen. Ik had vroeger een slaapkamer van 3 bij 4. Het bed stond links in de kamer. Als ik een bal tegen de muur gooide, kon ik die met een duik op het bed pakken. De landing was lekker zacht. Terwijl ik rechtsbenig ben, is mijn linkerhoek als keeper altijd beter geweest. Ik heb aan den lijve ervaren hoe een veilige landingsplek de lef in het duiken automatisch stimuleert.”

Geduld
De leerwijze van het indirecte leren die de vierentwintigjarige keeperstrainer en keepersscholhouder voorstaat, appelleert aan het prediken van kalmte. Want in tegenstelling tot het directe leren, is geduld een eerste vereiste om resultaten te boeken. “Bij het directe leren, wat blocked practice wordt genoemd, ontstaat er door veelvuldig identiek herhalen, een snel oefenresultaat. De trainer is met veel feed back een constante procesbegeleider. De coach wordt een soort menner en de keeper krijgt, met de volle aandacht voor een deelaspect van het keepen, min of meer oogkleppen op: een interne focus gericht op de korte termijn. Daardoor wordt in wedstrijden het geleerde amper toegepast. Het erin hameren van een goede traptechniek houdt niet vanzelf in dat een keeper onder druk beter gaat meevoetballen. Bij indirect leren, met andere woorden random practice, is er een externe focus. Het einddoel is glashelder. De keeper wordt in gevarieerde, wedstrijdechte situaties gestimuleerd om na te denken over hoe hij dat einddoel kan halen. Er is minder vooruitgang tijdens trainingen, maar des te meer tijdens wedstrijden. De trainer denkt mee met zijn pupil, stelt waaromvragen, geeft spaarzaam feedback, of creëert dwangstellingen die de keeper op het wenselijke spoor zetten.

Naar boven

SALE !